O.C. van Hemessen

Otto Cornelis van Hemessen

Zelf werken aan het behoud van cultureel erfgoed

Stichting cultuur

Op de begraafplaats in Woubrugge ligt het verweerde graf van O.C. van Hemessen, met een gedenksteen waarop de tekst:

‘IN DANKBARE HERINNERING VAN GEMEENTEBESTUUR EN BURGERIJ VAN WOUBRUGGE’.

 

De kade aan de westzijde van de Woudwetering, het centrum van Woubrugge, draagt de naam Van Hemessenkade.
En in Woubrugge, een dorp met 3500 inwoners, is een (klein) museum: Museum Van Hemessen.

 

Wie was die Van Hemessen?

In Amsterdam, op 27-07-1854 is Otto Cornelis van Hemessen geboren; zijn geboortehuis stond in wat nu de Spuistraat heet.
Zijn moeder, Maria Theodora Post, was geboren in het paleis op de Dam. Niet als prinses, maar als dochter van de portier. Haar vader, Arend van der Post, was oorspronkelijk gezagvoerder op een koopvaardijschip[1]. Als gevolg van de politiek van Napoleon raakte de koopvaardij in het slop en moest Post in 1807 een baan aan de wal zoeken. Dat werd portier[2] van het stadhuis dat door koning Lodewijk tot Paleis was gepromoveerd. De vader van Otto, ook O.C. Van Hemessen, was meester schrijnwerker en werkte in het Koninklijk paleis op de Dam. Vaders Otto en Arend waren goede bekenden, collega’s van elkaar, en zo leerden Otto jr. en Maria elkaar kennen.
Otto heeft alleen op de lagere school gezeten, maar heeft daar in ieder geval voldoende opgestoken om al op jonge leeftijd een dagboek te beginnen dat hij tot het eind van zijn leven heeft bijgehouden. Gevolg daarvan is dat er veel bekend is over het leven van Otto; ook dat het geloof voor hem erg belangrijk was. Zijn moeder was, zoals men dat noemt, een godvrezende vrouw; zij heeft haar kinderen daarin ook opgevoed.

 

Otto’s carrière

Zoals veel jongens, en in navolging van zijn grootvader, wil Otto naar zee. Zijn moeder ziet dat niet zitten en hij wordt timmerman. Na hier en daar als timmerman te hebben gewerkt, in het bijzonder aan stations die her en der in Nederland worden gebouwd, wil hij toch wat anders. Militair, dat lijkt hem wel wat. Otto is klein van stuk en is bang daarom te worden afgekeurd maar dat valt mee. Op 1-11-1874 tekent Otto voor zes jaar als huzaar. In 1878 overlijdt zijn vader. Otto’s moeder, dan nog samenwonend met zijn zus, zou graag zien dat hij naar huis komt. Op haar verzoek krijgt hij vervroegd ontslag uit dienst,  op voorwaarde dat hij voor een remplaçant zorgt (hij heeft het inmiddels tot wachtmeester geschopt).

 

In het voetspoor van Otto

Zo komt hij in 1878 weer terug in Amsterdam als kostwinner voor zijn moeder en zuster. In 1881 trouwt hij met een voormalig buurmeisje; een maand later overlijdt zijn moeder. Hij werkt als timmerman, brievenbesteller, assistent-deurwaarder, agent van politie en begint tussendoor een tabakshandel. De handel loopt voorspoedig en hij stopt geld in de bouw van een paar huizen. Dat loopt mis en hij moet zijn tabakshandel verkopen.
Op aandringen van zijn zwager solliciteert hij als veldwachter in Woubrugge. Voor zijn sollicitatie moet hij daarnaar toe; het is nog een heel gezoek waar Woubrugge ligt en hoe hij daar in vredesnaam moet komen. Otto wordt aangenomen en zal er de rest van zijn leven blijven. Zo wordt Otto Cornelis bekend als de veldwachter van Woubrugge.

In 1884 vestigt het gezin Van Hemessen (Otto, Maria en twee kinderen) zich in Woubrugge. In september van dat jaar is er een blijde gebeurtenis: de geboorte van een dochter. Het vervolg is droevig: in oktober overlijden achtereenvolgens het dochtertje en Maria. Een man alleen met twee kinderen is lastig; de zuster van Otto komt helpen in de huishouding. In oktober 1885 hertrouwt Otto met Jannetje van der Laan, dochter uit een oude Woubrugse familie.

De levensloop van Otto tot zover overziend is het niet verbazend dat hij veldwachter wordt, met een echte Woubrugse in Woubrugge trouwt en daar ook blijft wonen, en ook niet dat hij, als ‘fijn gelovige man’ betrokken is bij de splitsing van Gereformeerden en Hervormden in Woubrugge. Dit alles vormt geen verklaring waarom zijn naam nog altijd zo bekend is in Woubrugge. Die verklaring is te vinden in de inleiding van het boek dat hij heeft geschreven over de geschiedenis van Woubrugge en Hoogmade[3].

 

Onlangs slaagde iemand voor een examen in de geschiedenis en aardrijkskunde. Hij slaagde zelfs met den hoogsten lof. Als een achtste wonder keerde hij in zijn dorp terug. Eenigen dagen daarna ontmoette hij een eenvoudigen boer. Al spoedig kwam het gesprek op de geschiedenis.”Wel, goede vriend”, zoo begon weldra onze landbouwer, “gij zijt nu zoo knap, dan moet gij mij toch wel eens kunnen vertellen, hoe ons dorp er in den tijd van mijn grootvader uitzag”.
Onze historicus moest belijden, dat hij dit niet wist.
En zo gaat het dikwijls.
Voor het groote en het vreemde heeft men open oog, maar het kleine en wat in eigen omgeving geschied is, loopt men onnadenkend voorbij.
En toch – wie het kleine niet eert, is het groote niet weerd.

Schrijver dezes heeft steeds met belangstelling door Woubrugge en Hoogmade gewandeld. Hij gevoelde het, ook Hoogmade, ook Woubrugge had eene geschiedenis. Ook hier hadden geslachten na geslachten geleefd, gewerkt, geleden en gestreden, en die geslachten spreken ook nu nog, nadat zij gesorven zijn.
Alleen, die sprake moest beluisterd worden.
Menige oorkonde, menig oud document, menig boek moest door hem opgespoord en ontcijferd. Tal van jaren heeft hij onderzocht en nog eens onderzocht.
Maar nu leven Woubrugge en Hoogmade met hun omstreken ook voor hem, ze spreken nu inderdaad.
Nu verteld hem dit huis dit, gene kerk weer dat en gindsche Wetering en polder weer iets anders.
En nu wilde schrijver zoo gaarne, dat ook voor zijne plaatsgenooten vele historische bijzonderheden, reeds lang in het vergeetboek geraakt, weder opleefden. Hij hoopte ook bij hen belangstelling te vinden of op te wekken.
Vol moed toog hij daarom aan het werk om, kon het zijn, een boek over de oude heerlijkheden Esselijkerwoude en Heer Jacobswoude (thans Woubrugge) benevens Hoogmade het licht te doen zien.
En Gode zij dank, die taak, voor hem zoo bezwaarlijk, is thans volbracht. Het boek is er.
En nu ontveinst de schrijver zich niet, dat wetenschappelijke geschiedvorschers een gans ander werk hadden samengesteld. Maar hij gaf wat hij kon.
Trouwens voor de lezer is schrijver geen onbekende. Niemand zal van hem een wetenschappelijk vertoog verwachten.
En waar nu van alle werk reeds geldt: “De critiek is gemakkelijk, maar moeilijk de kunst”, daar geldt dit in de eerste plaats van schrijvers arbeid.
Maar hij heeft dan ook geschreven voor lezers, die de welwillendheid in dezen zullen betrachten en wier verwachtingen niet te hoog gespannen zullen zijn.

Zoals Otto in zijn inleiding schrijft: “…ook Woubrugge/Hoogmade heeft een geschiedenis. Ook hier hebben geslachten na geslachten geleefd, gewerkt, geleden en gestreden, en die geslachten spreken ook nu nog, nadat zij gestorven zijn. Alleen, die sprake moet beluisterd worden”.
De erkende historici in zijn tijd hebben daar kennelijk geen interesse, tijd of geld voor. Zijn reactie daarop is geweest: dan doe ik dat toch zelf!

 Tussen 1886 en 1899 worden er in het gezin Van Hemessen zeven kinderen geboren waarvan er drie binnen een jaar overlijden. In deze periode gaat Van Hemessen, naast zijn baan en activiteiten binnen de kerkelijke gemeenschap, aan de slag. Hij speurt overal naar informatie, aanwijzingen en details over de historie van Woubrugge en Hoogmade. Bezoekt archieven en bibliotheken en dat in een tijd dat het toch niet zo eenvoudig is als tegenwoordig om vanuit Woubrugge naar, bijvoorbeeld Leiden, Den Haag of Velp [4] te gaan. Hij schrijft over zijn bevindingen niet alleen stukjes in de krant, maar ook twee boeken; het eerder genoemde en een boek over de kerstening, ontwikkeling door de eeuwen van de kerk in Woubrugge en de bouw van dorpskerk van Woubrugge uit 1653  [5].

OCVH-kerk_800x576

Breng maar naar de veldwachter

Door zijn onderzoekingen en publicaties werd O.C. Van Hemessen misschien niet de grondlegger,  maar zeker wel een illustere vertegenwoordiger van de lokale geschiedschrijving. Na de publicatie van zijn eerste boek werd hij benoemd tot lid van de Vereniging Oud-Leiden, het Historisch Genootschap en in 1921 verkozen tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde.

Minstens zo belangrijk was dat hij door zijn aanpak ook bij zijn dorpsgenoten interesse in de geschiedenis wist te wekken. Als voorbeeld het jaar 1913. Het is dan 100 jaar geleden dat, na de Franse tijd, Nederland onafhankelijk werd. Het leek hem een leuke gedachte om nabij de plaats waar volgens zijn bevindingen het voormalige Jacobswoude had gelegen (vanwaar de bewoners tussen 1550 en 1600 naar Woubrugge verhuisden), een monument op te richten. Om zijn dorpsgenoten daarbij te betrekken werd een comité opgericht dat een historische optocht ging organiseren ter gelegenheid van het onafhankelijkheidsfeest. Het eindpunt van de tocht was het nieuwe monument dat toen werd onthuld[6]. In de optocht reden allemaal figuren uit de Woubrugse geschiedenis mee: Otto zelf als Ridder Jacob van Woude I, huisarts Gerbrand Swart als Cornelis van Schellingerhout, wethouder A. Wisman als ambachtsheer Van der Aar de Sterke, om er maar een paar te noemen. Enkele foto’s van de optocht wekken de indruk dat de ene helft van de inwoners verkleed in de optocht meeliep en andere helft kwam kijken.

OttoMonument_420x600

In 1916 werd tegenover het monument een hardstenen bank geplaatst waarin een fragment van een grafzerk uit de kerk van Jacobswoude is verwerkt.

De bij zijn dorpsgenoten gewekte interesse leidde er ook toe dat als er ‘iets ouds’ gevonden of opgegraven werd men reageerde met “Breng het maar naar de veldwachter”. Hij beschreef het en het kreeg een plaats in het gemeentehuis of bij hem thuis. Verschillende foto’s in het gemeentehuis uit die tijd laten zien dat er geen hoek of muur meer over was die niet deed denken aan de historie van Woubrugge en Hoogmade.
Maar ook zelf ging hij actief op zoek. Het verhaal gaat dat hij, als hij als veldwachter het buitengebied in moest, zijn sabel thuis liet en een schop meenam. Als de burgemeester hem daarop betrapte (hij vond dat niet passen voor een veldwachter) kreeg hij strafexercitie: twintig maal van het ene eind van het dorp door de Kerkstraat, de brug over, door de Raadhuisstraat naar het andere eind van het dorp en weer terug.
Hij wist zijn sabel echter ook goed te gebruiken. Het oude dorp Woubrugge bestond uit bebouwing aan beide zijden van de Woudwetering. In een goede winter was er dan ook altijd een ijsbaan in het centrum van het dorp, ideaal. Op een dag kwam er een ijsbreker aan om de vaarweg weer open te maken. De jeugd was het daar niet mee eens en bezette de brug om de ijsbaan te beschermen. Otto werd erbij gehaald. Hij sommeerde de jongens om van de brug af te gaan. Toen daaraan geen gevolg werd gegeven trok hij zijn sabel en dreef (in zijn eentje) de groep van de brug af. De brug ging open en de ijsbreker kon zijn werk doen. Wel jammer van de ijsbaan.

Het probleem waar hij, als vele anderen, mee zat was: je vindt wel veel losstaande feiten, aanwijzingen en voorwerpen maar hoe passen die in een compleet verhaal; wat is dan de waarheidsgetrouwe geschiedenis? Hij heeft daar kennelijk veel over nagedacht en er met anderen over gesproken.
Een van de kernpunten is de vraag waar het dorp Jacobswoude heeft gelegen. Zijn conclusie is dat dat in de Vierambachtspolder geweest moet zijn, wat ten noorden van het huidige kruispunt Kruisweg/Provinciale weg, en dat het dorp ontstaan is bij het kasteel van de Van Woudes. Maar het kasteel is in de 14e eeuw, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, verwoest en in de 18e eeuw is de polder uitgeveend waardoor het maaiveld 5 meter omlaag is gegaan; er is dus hoegenaamd geen kans ter plekke sporen van Jacobswoude te vinden.
Het was hem een lief ding zeker te weten of zijn conclusie juist was. Wie hem op het idee heeft gebracht weet ik niet, maar als daar bebouwing is geweest moet de grond daaronder zijn ‘samengedrukt’. Daardoor zouden er in droge zomer hoogteverschillen moeten ontstaan.
1911 was een erg droge zomer en Van Hemessen ging dan ook hoogtemetingen in de polder doen. De geconstateerde hoogteverschillen zijn op een plattegrond vastgelegd:

kaart_800x309


De tekening is door vocht beschadigd. De lichtgroene cirkels zijn door Van Hemessen gevonden als hoger dan het omliggende maaiveld. Hij beschouwt dit als mogelijk de plaats van de torens van het kasteel.

De vondst van een kloostermop (groot formaat baksteen uit de 12e eeuw toegepast bij de bouw van kerken en kastelen) wijst op zeer oude bebouwing ter plekke. En tenslotte (beter als eerste) de sarcofaag, in 1743 gevonden bij het ruimen van de begraafplaats van Jacobswoude. Dergelijke sarcofagen dateren uit de (ruim genomen) 12e eeuw.
Otto zag deze zaken als een ‘solide’ bevestiging van de door hem beschreven geschiedenis.

otto

Na 36 jaar veldwachter ging Otto in 1920 met pensioen, voor hem de mogelijkheid om zich, meer dan voorheen, te verdiepen in de historie van ‘zijn’ inmiddels geliefde Woubrugge/Hoogmade.
Met ingang van 1-4-1927 kreeg hij de titel ‘ambtenaar belast met de zaken van het oud archief van de gemeente Woubrugge’. Op zijn pensioen van 742 gulden (per jaar) kreeg hij een toeslag van 146 gulden.
31-12-1934 werd voor Otto een gedenkwaardige dag: “Het heeft de Koningin behaagd hem te benoemen tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau”.
Otto Cornelis van Hemessen overleed op 18-7-1937.

Otto heeft het initiatief genomen tot verschillende historische tentoonstellingen. Al in 1913 ontlokte het de commissaris van de koningin de opmerking “Mocht dit eens tot een museum leiden”.
Aan Otto heeft het niet gelegen; de historische verzameling breidde steeds uit. In 1928 publiceerde hij de ‘Catalogus met 300 nummers betrekking hebbend op het verleden van Woubrugge Hoogmade, met historische toelichting’. In 1935 verscheen daarop een supplement met 250 nummers.
Het zou echter tot 1953 duren voor de ‘historische verzameling’ een vaste plaats kreeg in wat nu Museum Van Hemessen is.

In de tijd van Otto Cornelis van Hemessen was er niet veel aandacht voor de lokale geschiedenis en was er daarvoor van overheidswege zeker geen ‘structureel’ geld beschikbaar. Hij was een rechtlijnig persoon met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, soms een ‘opgewonden standje’ en iemand met een bijna tomeloze inzet voor wat hem interesseerde. Dat bracht hem af en toe in conflict met zijn superieuren, maar hij kreeg er ook veel medestanders door voor wat hij trachtte te bereiken.
Wat hij is begonnen vanwege de, naar zijn oordeel, onvoldoende aandacht van ‘officiële instanties’ voor de lokale geschiedenis heeft geleid tot:

  • • Museum Van Hemessen waarin (nu meer dan) 1400 nummers de historie van Woubrugge/Hoogmade illustreren
    • de Historische Vereniging O.C. van Hemessen die de belangstelling voor en de bestudering van de geschiedenis en folklore wil bevorderen.
    • de Stichting tot Behoud van het Cultureel Erfgoed van Jacobswoude, die zich inzet voor bestudering en het behoud van het cultureel erfgoed van Woubrugge/Hoogmade in het algemeen en in stand houden van Museum van Hemessen in het bijzonder.

En dit alles, in het voetspoor van Otto, door vrijwilligers.

J.N. Haasbroek mei 2012

____________

[1]  Een door hem gebouwd model van zijn schip is in Museum van Hemessen aanwezig.
[2]  De akte van aanstelling, op perkament, is in Museum van Hemessen.
[3]  ‘Eene Wandeling door Woubrugge en Hoogmade’, uitgegeven 1904
[4]  In Velp heeft hij het archief van de Heerlijkheid Esselijckerwoude mogen inzien; kort daarop is het door brand verloren gegaan.
[5]  ‘De Gereformeerde Kerk van Esselijckerwoude’, uitgegeven 1912.
[6]  Van deze gebeurtenis is een aquarel aanwezig in Museum Van Hemessen.

 

 

One thought on “O.C. van Hemessen”

  1. Wat leuk en boeiend, om een levensverhaal van mijn overgrootvader te lezen. Ik ben Marian van der Veen, de dochter van Jan Halbe van der Veen, zoon van Maria Barendina van Hemessen, dochter van Otto Cornelis van Hemessen.

    Het museum heb ik bezocht, toen ik nog in Nederland woonde. Ik meen dat dit rond het einde van het eerste decennium was, in onze 21e eeuw. Op deze pagina heb ik voor het eerst mijn overgrootvader’s complete levensgeschiedenis gelezen.

    Grappig is, dat ik ook veel interesse heb in de geschiedenis van de plek waar ik woon. En ook in de verbanden tussen Friesland en Engeland, waar ik nu woon in Devon, sinds 1 juli 2015. Waar de zee en Dartmoor mijn hart hebben veroverd tijdens vele zomervakanties.

    Van moeders kant ben ik Fries van bloed en daarvan zijn de wortels vermoedelijk ook in Engelse bodem groeizaam geweest, toen de Friezen en Vikingen een bondje sloten. Tevens is de voormalige handelsplaats Holwerd, aan de kust van Friesland, aanlegplaats geweest van schepen uit Engeland, o.a.

    Dank voor het in ere houden van nagedachtenis aan mijn overgrootvader en zijn werk!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Anti-Spam Quiz: